INTERVIEW

"Incontinentie is geen ziekte maar een
sociaal ongemak."

Dr. ACKAERT - UROLOOG AZ TURNHOUT

Antwoorden op de vragen die je misschien zelf niet durft te stellen.

Urineverlies. Het is niet meteen een populair gespreksonderwerp tijdens de koffiepauze, op terras of in de trein. We praten er het liefst zo weinig mogelijk over waardoor je het idee krijgt dat het amper voorkomt. Tot je naar de cijfers kijkt. Dan stel je vast dat er toch een aanzienlijke kans is dat je er ooit mee te maken krijgt. Uroloog dr. Koen Ackaert beantwoordde daarom al onze vragen over incontinentie.

Hoe vaak komt incontinentie eigenlijk voor?

Dr. Ackaert: “Bij mannen is dat 7 à 16 procent terwijl het bij vrouwen om maar liefst 1 op de 4 gaat. Maar uiteraard is niet elke vorm van urineverlies even ernstig. De lichtste vorm is het zogenaamde nadruppelen. Dat wil zeggen dat je na het plassen nog enkele druppels verliest. En eigenlijk weten we niet precies hoe dat komt al vermoeden we dat het te maken heeft met een vermindering van de spierkracht in de plasbuis. Daarnaast kan de blaas ook té snel een signaal geven om te plassen. In dat geval spreken we van aandrangincontinentie. In een normale, goed functionerende blaas kan er zo’n 400 à 500 cc vocht. Als die vol is, staat de blaas gespannen en prikkelen de blaaswandreceptoren het ruggenmerg die het signaal op z’n beurt doorgeeft aan de hersenen. Maar soms worden die receptoren dus veel sneller geprikkeld waardoor je onmiddellijk moet plassen en je dus bijna voortdurend naar het toilet loopt.”


“Urineverlies kan ook het gevolg zijn van een verzwakte sluitspier aan de blaas. Die houdt de blaas gesloten maar wanneer ze niet goed meer functioneert, kun je urine verliezen. Bijvoorbeeld wanneer je lacht of hoest. Daarom spreekt men van stress- of inspanningsincontinentie. Een vierde mogelijkheid is dat de blaas onvoldoende kracht heeft om het vocht zelf naar buiten te drijven. Bij zo’n overloopincontinentie blijft de blaas zich vullen tot ze - letterlijk - overloopt. Zoals een volle emmer waarbij het overtollige

vocht over de rand wegstroomt. Dit is vaak het gevolg van een vergrote prostaat of slecht functionerende blaasspier. Een laatste mogelijkheid is dat je ’s nachts meer urine produceert waardoor je verschillende keren moet opstaan. Dan hebben we het over nachtelijke incontinentie of nycturie.”


Hoe komt het dat vrouwen er zo opvallend vaker last van hebben dan mannen?

Dr. Ackaert: “Om te beginnen omdat mannen een langere plasbuis hebben. Bij vrouwen is die 3 à 4 cm lang, terwijl de mannelijke plasbuis gemiddeld 15 tot 20 cm meet. Dat fysieke verschil zorgt ervoor dat vrouwen sneller urine verliezen. Een tweede onderscheid is de sterkte van de bekkenbodemspieren die een belangrijke rol spelen bij het ophouden van urine. En opnieuw zijn mannen daar in het voordeel omdat ze over stevigere bekkenbodemspieren beschikken. Bovendien zetten zwangerschappen, vaginale bevallingen en eventuele vaginale chirurgie een enorme druk op de bekkenbodemspieren wat vaak voor incontinentieproblemen zorgt … soms vele jaren later. Daarom vraag ik m’n vrouwelijke patiënten steeds hoeveel bevallingen ze hebben gehad en vooral of het moeilijke bevallingen waren. Vanaf de menopauze daalt de productie van de vrouwelijke hormonen waardoor die bekkenbodemspieren verder verzwakken. Ter vergelijking: bij mannen daalt de productie van het testosteronhormoon ook na enige tijd maar dat heeft geen invloed op de bekkenbodemspieren. Bij mannen is het vooral de prostaat die een cruciale rol speelt. Die wordt – naarmate we ouder worden - steeds groter en omdat ze ook rond de plasbuis zit, kan die dus vernauwen.”

Hoe bepaal je de correcte diagnose?

Dr. Ackaert: “De eerste stap is om goed te luisteren, de juiste vragen te stellen en goed klinisch te onderzoeken. Een grote hulp daarbij is het plasdagboek. Daarin noteer je gedurende een drietal dagen hoeveel je drinkt, wanneer je aandrang voelt, hoeveel je plast en hoe vaak je eventueel urine hebt verloren. Dat geeft ons een objectief beeld van het probleem. Soms voeren we ook een urodynamisch onderzoek uit waarbij er één sonde in de blaas gaat en één in het rectum. Als we dan de blaas vullen en laten ledigen, kunnen we meten wat er precies gebeurt.”

Rond incontinentie hangt er nog steeds een soort van taboe. Mensen zijn niet snel geneigd om erover te praten. Zie je daar evolutie in?

Dr. Ackaert: “Dat taboe is toch stilaan wat aan het verdwijnen. Ik vroeg ooit aan huisartsen om gedurende een bepaalde periode bij elke vrouwelijke patiënt te polsen of men last had van urineverlies. Toen bleek meer liefst 23 procent van de patiënten te kampen met urineverlies zonder dat ze er ooit iets over hadden gezegd tegen hun arts. Vandaag doen patiënten dat gelukkig veel sneller. Zeker vrouwen vragen veel makkelijker advies aan de huisarts of specialist. Voor mannen ligt dat nog iets moeilijker. Daarom dat ik graag heb dat de echtgenote meekomt op consultatie want zij informeren vaak correcter over de omvang van het probleem terwijl mannen de neiging hebben om de klachten wat te minimaliseren. Maar het

is nergens voor nodig om het weg te moffelen. Incontinentie is dan ook geen ziekte maar eerder een sociaal ongemak. Mensen hebben vaak schrik voor een ongelukje tijdens een sociale activiteit maar er bestaan uitstekende hulpmiddelen die je een veilig en comfortabel gevoel geven. Eén van de grote gevaren bij incontinentie is dat mensen zich gaan isoleren. In de thuiszorgwinkels en apotheken hebben ze een breed aanbod en vind je goed onderlegde medewerkers die je degelijk adviseren en samen op zoek gaan daar de beste oplossing. Vaak is die zelfs goedkoper dan de alternatieven in de supermarkt.


Wat kun je nog doen om het urineverlies te beperken?

Dr. Ackaert: “Om te beginnen raden we iedereen aan om de bekkenbodemspieren te trainen. In Vlaanderen vind je heel wat fysiotherapeuten die precies weten hoe je die spiergroep kunt versterken en we zien dat het effectief helpt. Zowel voor vrouwen als voor mannen. Er bestaan ook verschillende geneesmiddelen

die de prikkel tegengaan die ervoor zorgt dat je gaat plassen endie de blaascapaciteit kunnen verhogen (anticholinergica). Tegenwoordig is er nog een nieuwe soort medicatie (mirabegron) die de blaasspier verslapt. Daardoor reageren de receptoren niet zo snel en kan de blaas zich meer vullen. Omdat deze medicijnen wel hartproblemen en hypertensie kunnen veroorzaken, zijn ze niet geschikt voor mensen die last hebben van ernstig hartlijden.”


Wat als bekkenbodemtraining of medicatie niet helpt?

Dr. Ackaert: “Dan kijken we naar de operatieve mogelijkheden. Botox kennen we allemaal als middel om o.a. rimpeltjes te vervagen maar we kunnen het ook in de wand van de blaas spuiten. Hét kenmerk van botox is namelijk dat het de spieren verslapt. Door die blaaswandspier te verslappen beantwoordt die niet meer meteen elke prikkel om te plassen. Dat effect blijft ongeveer een tien tot twaalf maanden aanhouden en dan herhalen we de ingreep. Het nadeel is wel dat er een iets grotere kans is op blaasinfecties en zo’n vijf procent van de patiënten kunnen tijdelijk niet meer plassen waardoor ze zichzelf moeten sonderen.”

"In de thuiszorgwinkels en apotheken krijg je uitstekend advies over kwalitatieve hulpmiddelen."

Dr. Ackaert - AZ Turnhout

Dr. Koen Ackaert

Uroloog AZ Turnhout

“Een andere mogelijkheid is dat we een zogenaamde artificiële urinaire sfincterprothese plaatsen waarbij we een cuff aanbrengen rond de plasbuis, die verbonden is met een pompje in de balzak en een reservoir in de onderbuik. Die cuff zorgt ervoor dat de plasbuis gesloten blijft en van zodra je aandrang voelt, druk je op het pompje waarna de cuff een minuut opengaat en automatisch weer sluit. Dat is natuurlijk een oplossing specifiek voor mannen. Bij vrouwen werken we vaak met een netje of sling die de urinebuis ondersteunt tijdens activiteiten die de druk in de buik verhogen zoals lachen, hoesten of springen. Ook bij mannen die last hebben van stressincontinentie – wat vaak optreedt na een prostaatoperatie voor prostaatkanker – kunnen we zo’n synthetisch bandje of male sling plaatsen rond de plasbuis. In zeer uitzonderlijke gevallen installeren we een neurostimulator die de zenuwen triggert die van de blaas naar de hersenen lopen. Die impulsen kun je dan uitwendig bijregelen. Omdat dit zeer duur is, doet men dit enkel in de gespecialiseerde centra.”


Kun je incontinentieproblemen voorkomen?

Dr. Ackaert: “Wanneer het urineverlies het gevolg is van een

ziekte zoals MS, Parkinson of in mindere mate diabetes mellitus, kun je uiteraard weinig voorkomen. Maar in de meeste gevallen kan het trainen van de bekkenbodemspieren een groot verschil maken om de lichtere vormen te voorkomen. Elke dag 5 à 10

minuutjes oefenen, maakt een wereld van verschil. We zien dat patiënten die beginnen met oefenen – ook op latere leeftijd – vaak

het gebruik van medicatie kunnen afbouwen. Een tweede belangrijke tip: mannen, probeer zo vaak mogelijk zittend te plassen in een correcte houding. De vrouwen zullen het graag horen (lacht). Als je zittend plast, heb je namelijk een betere spierverdeling en kun je de blaas beter ledigen. Een blaas die niet volledig geledigd wordt, kan leiden tot chronische ontstekingen wat op zijn beurt incontinentie kan veroorzaken.”


Helpt het om minder te drinken als je last hebt van urineverlies?

Dr. Ackaert: "Neen. Integendeel, het heeft soms een averechts effect. Zeker water kan geen kwaad. Je bent wel beter wat voorzichtig met koolzuurhoudende dranken, koffie en thee. Zij prikkelen namelijk de blaas waardoor ze wel een effect kunnen hebben. Als je ’s nachts vaak moet opstaan om te plassen, is het wel aangeraden om vanaf een bepaald uur niet veel meer te drinken.”

TIP

VAN DE APOTHEKER

Sommige geneesmiddelen zoals ACE-remmers, alfablokkers, diuretica, slaap- en kalmeringsmiddelen, … kunnen incontinentie veroorzaken.


Krijg je dus last van urineverlies na het nemen van medicatie, overleg dan met je arts en/of apotheker. Waarschijnlijk hebben we een goed alternatief of kunnen we eventueel de dosis aanpassen.

Bio dr. Koen Ackaert

  • Dienst urologie - AZ Turnhout
  • Gespecialiseerd in kinderurologie, reconstructieve urologie en niet-chirurgische oncologische urologie